Verslag 39: Nieuw-Zeeland deel 1
Wat hadden we nou afgesproken?!
Na onze aankomst in de Bay of Islands hebben we nog twee weken voordat we naar Nederland vliegen. Na een paar dagen acclimatiseren in Opua zeilen we in dagtochten de Bay of Islands uit richting Whangārei. Het is prachtig zeilen en we ankeren bij diverse eilanden. Geert en Judith wandelen veel en zwemmen in het (hier veel frissere) water. Carel geniet volop, zoekt schelpen op het strand en leest een boek. In het historische stadje Russell leren we dat de Engelse kolonisten hier in 1840 een vredesverdrag met de lokale Maori-stammen sloten. Hoewel meer dan 40 stamhoofden aanwezig waren en ondertekenden, moest het document in de maanden daarna nog door 160 andere Maori-leiders geaccordeerd worden. Later bleek dat het document slecht vertaald was en de Maori een heel ander idee van de inhoud hadden dan de Britten. Toch is het document waardevol gebleken, omdat het in de jaren ’80 van de vorige eeuw, na demonstraties en protesten van de Maori, de basis vormde voor herstelbetalingen vanwege onrechtmatig ingepikte (landbouw-)grond en voor een groot aantal wetswijzigingen in het Nieuw-Zeelandse parlement. Men zegt dat de rechten van de Maori nu vrij goed gewaarborgd zijn.
Natuurbeschermers op bezoek
We varen in drie dagtochten van ca. 20 mijl naar Whangārei, waar Avalon op de kant zal worden gezet. Bij het ronden van Cape Brett kijken we, samen met enkele toeristenboten, door het ‘befaamde’ Hole in the Rock. 10 Mijl verderop haalt een bootje van de Nieuw-Zeelandse natuurbescherming ons in. Twee vriendelijke zee-biologen vertellen dat dit een beschermd natuurgebied is. “Mogen we hier niet varen dan?” vragen we besmuikt. “Jawel hoor, maar we hadden niets te doen en wilden jullie graag een folder met een kaartje overhandigen.” “En die vislijn die we achter de boot slepen, dat mag zeker niet?” “O jawel hoor, dat is ook geen probleem, goede vaart en fijne dag verder.” Eerlijk gezegd begrijpen we er niets van. Wat kwamen ze nou eigenlijk doen? Wel weten we inmiddels dat de NZers erg zuinig op hun natuur zijn, en terecht.
Whangārei en Hundertwasser
De stad Whangārei ligt zo’n 10 mijl stroomopwaarts in de Hatea rivier. Aan het eind van het bevaarbare deel liggen honderden zeiljachten, waarvan een groot deel bezoekers en cruisers zoals wij. Het waterfront en het centrum worden gedomineerd door het museum van Friedensreich Hundertwasser, een Oostenrijkse surrealistische kunstenaar en architect die leefde van 1928 tot 2000. Hij woonde 30 jaar in NZ en deed o.a. veel inspiratie op bij de Maori. Het museumgebouw is na zijn dood ontworpen en gebouwd en is spectaculair: kleurrijk, onconventioneel en verrassend. We hadden nog nooit van deze kunstenaar gehoord, maar we zijn onder de indruk.
Na een paar dagen wordt Avalon vakkundig ‘gekraand’ en afgespoten. Ze zal hier een paar maanden op de kant staan.
‘Even’ terug naar Nederland
Op 2 december vliegen we naar Nederland. Na twee vluchten van 12 uur en een tussenstop in Guangzhou (met 8 uur comfortabele wachttijd in de VIP-lounge) staan we een beetje dizzy op Schiphol. We worden weer warm ontvangen door onze familie, kleinzoon Boris en vrienden in het overigens koude en grijze Nederland. Vriendin Wilma is zelf op reis, maar heeft ons haar huis in Utrecht aangeboden, waar we drie weken heel dankbaar gebruik van maken. Daarna zijn we een week in het huis van Titia en Geert, naast de woning van de moeder van Judith.
De laatste 2 weken trekken we rond met de camper en ervaren we wat Nederlandse kou en nattigheid, maar de gaskachel houdt ons warm. Het afscheid van kinderen en kleinkind is zoals altijd weer zwaar en stemt verdrietig. Maar we hebben ook veel zin om terug te gaan naar de zomer in Nieuw-Zeeland.
Flitsbezoek aan China
De terugreis gaat weer via een tussenstop van 8 uur in China, Guangzhou. Deze keer kiezen we er voor om het vliegveld te verlaten voor een flitsbezoek aan de stad. Een vriendelijke taxichauffeur en zijn broer brengen ons naar het centrum en begeleiden ons door de drukke winkelstraten. Onze communicatie verloopt via een vertaal-app. We zien heel veel Chinezen, slechts één Westers koppel, hypermoderne winkels, met lichtjes versierde bomen en gebouwen en kleurrijke scherm-reclames. We kunnen geen opschrift lezen en alle betalingen verlopen via een Chinese betaalapp. Hoogtepunt is de op twee na hoogste toren van de wereld, de ‘Kantontoren’ van 604 meter hoog die voortdurend al draaiend van (zuurstok-)kleur verandert. We sluiten af met een ‘etentje op straat’ (streetfood) en laten ons weer terugbrengen naar het vliegveld. We zijn ons bewust dat deze moderne welvarende stad waarschijnlijk niet representatief is voor China, maar zijn toch positief verrast en onder de indruk.
Met een camper op Zuidereiland
“Even geduld, ze moeten eerst nog een paar foto’s maken. Ja nu kunnen we er langs.” In China is het op dit moment vakantietijd vanwege Chinees Nieuw Jaar en Nieuw Zeeland is voor hen een populaire bestemming. En dat merken we. Vooral op de meest bekende toeristische plekken. Maar ja, ook wij zijn toeristen en ook wij lopen wel eens in de weg, dus we klagen niet. Maar druk is het wel.
We zijn op Zuidereiland, om drie weken met een camper rond te trekken. Dit deel van Nieuw-Zeeland is groot (700 km lang en 250 km breed) en heeft veel verschillende landschappen om te bekijken. Omdat we niet extreem veel willen rijden kiezen we vooral voor het centrale deel; de Nieuw-Zeelandse Alpen. En daar is het prachtig! Spectaculair zijn Mount Cook, met 3.724 meter de hoogste berg van NZ, de gletsjers daaromheen en de felblauwe bergmeren met daarin de weerspiegeling van de omliggende bergen. Nooit zagen we zulke brede ongerepte rivierdalen, waarin de bergrivieren (nu vredig) volledig vrij naar beneden meanderen. Afgezien van de weg waarop we zelf rijden is er geen enkel teken van menselijke aanwezigheid. Geen huizen, geen kades of dijken en geen hoogspanningsleidingen.
Rijden over een wasbord
We doen weer veel wandelingen. De meeste paden zijn erg goed onderhouden en soms zelfs een beetje te ‘parkachtig’ met trapjes en handgrepen. Eén van de mooiste schijnt die door het Mount Aspiring National Park naar de Bob Roy gletsjer te zijn. Om bij het begin te komen moeten we 25 km. over een ‘dirt road’ rijden, onverhard dus. De weg is als een wasbord en alles in de camper trilt en rammelt. De herrie is oorverdovend. Aan het begin pikken we twee liftende Fransen op. Zij zijn zo verstandig om dit niet met hun eigen auto te doen. Als we even later bij een dwars-riviertje (een ‘ford’) komen, de weg smaller wordt en we op een bord lezen dat ons nog negen van dit soort overgangen te wachten staan, gooien we de handdoek in de ring en rijden we achteruit terug tot de laatste brede plek langs de weg. Met z’n vieren liften we verder naar het eindpunt, het begin van de wandeling.
Bob Roy Glacier track
De wandeling is fantastisch. Na 3 uur en 500 hoogtemeters hebben we een adembenemend uitzicht op het Bob Roy gletsjergebied. Overal waar je kijkt zie je sneeuw, gletsjers, watervallen en ijswaterrivieren. We dalen nog een klein stukje af om onze bidon te vullen en de koude van het smeltwater aan den lijve te voelen. Wat een prachtige plek. We wandelen terug en krijgen weer een lift naar onze eigen camper. De rit over het wasbord van de dirt road is wederom een hel: later die avond blijkt dat de afzuigkap bijna volledig losgetrild is. Met ‘ducttape’ doen we een provisorische reparatie. “If it moves and it shouldn’t: tape it.”
De Haast en Arthurs pass
De Nieuw-Zeelandse Alpen strekken zich uit van Noord naar Zuid en er zijn drie passen om ze over te steken. Om de westkust te bereiken nemen we eerst de Haastpass. De wegen zijn smal en bochtig en het links rijden vraagt behoorlijk veel extra concentratie en oplettendheid. Eén keer moeten we vol in de remmen en de berm insturen omdat er een tegenligger op de verkeerde weghelft zit bij het inhalen van een fietser. Gelukkig loopt het goed af, maar het maakt ons wel schrikachtig.
Zoals gezegd zien we tientallen kilometers geen teken van menselijke bewoning. De natuur kan zijn gang gaan. Zuidereiland is sowieso dun bevolkt en de mensen die er leven wonen in kleine dorpjes bij elkaar. Er is nauwelijks verspreide woonbebouwing. Wel zien we veel weilanden vol met schapen, herten of koeien.
Duizenden herten en reeën
Herten en reeën zijn een bijzonder hoofdstuk in de Nieuw-Zeelandse geschiedenis. Europese immigranten lieten ze hier los om ze als wild te kunnen consumeren. Maar omdat NZ geen roofdieren kent groeide de hertenpopulatie snel tot onwenselijke omvang. De vele herten en reeën veroorzaakten schade aan bossen en graaslanden. Het werd een plaag die bestreden moest worden. Jagers kregen voor ieder gewei dat ze bij de overheid inleverden een premie. We zien in boekwinkels tientallen stoere (foto-)boeken van jonge mannen die te paard, vanuit auto’s en later zelfs vanuit helikopters massaal op hertenjacht gingen. Momenteel is het aantal redelijk onder controle, maar boeren en grondeigenaren mogen ze nog steeds vrij bejagen.
Slecht weer in het westen
Eenmaal aan de westkust treffen we het even niet met het weer. Het is regenachtig en de beroemde Frans Joseph gletsjer houdt zich schuil achter laaghangende bewolking. Als we in het kuststadje Hokitaku een bioscoop zien waar de door Halina Reijn geregisseerde film ‘Babygirl’ op de posters staat, kopen we direct kaartjes. Best een goeie en interessante film trouwens.
Het prettige aan de Nieuw-Zeelandse Alpen is dat ze een goed deel van het slechte weer aan de westkant opvangen en tegenhouden. We gaan dus snel weer terug naar het oosten. Via de Arthurs pass komen we uit in een gebied waar ’s winters geskied wordt. De bijbehorende lodge, hoog in de kale heuvels, is ook nu in de zomer open. We parkeren er onze camper en genieten de volgende ochtend van tientallen kilometers vrij zicht en een ontbijtje uit de keuken van de lodge.
Pinguïns spotten
Voorzichtig tilt gids Michel de houten deksel op. “Foto’s nemen mag, maar absoluut geen flits!” De kleine pinguïn kijkt ons angstig aan, we nemen een foto en Michel doet de kist snel weer dicht. We zijn op Banks Peninsula nabij Christchurch en Michel is lid van een familie die hier sinds enkele generaties extra zorg verleent aan een kolonie dwerg- of blauwe pinguïns. De dieren leven hier al eeuwen, maar sinds de aanwezigheid van Europeanen en vooral de introductie van opossums en hermelijnen neemt hun aantal gestaag af. Michel en zijn familie plaatsen houten kisten waar de pinguïns kunnen schuilen en broeden. Als een dier te zwak is om op tijd weer naar het water terug te keren voeren ze het een paar weken bij. Leuke zakelijke bijkomstigheid is dat ze ook toeristische excursies organiseren en die avond neemt Michel ons mee naar een gecamoufleerde observatie hut, vanwaar we enkele pinguïns in het water zien zwemmen.
Op 12 februari komt er een eind aan ons camperleven en vliegen we weer terug naar Noordereiland.